Pasen is een feestdag in de lente. Het vindt zijn oorsprong ruim voor het ontstaan van het christendom. Later is het tot een christelijke viering omgevormd, via het joodse geloof, waarbij het een feest is geworden ter nagedachtenis van de opstanding van Jezus. Naast deze nog altijd gevierde christelijke betekenis is Pasen een belangrijk seculier feest geworden.
Pasen duurt twee dagen en begint altijd op een zondag. Beide dagen worden wel afzonderlijk Eerste en Tweede Paasdag of Paaszondag en Paasmaandag genoemd. Aan het paasfeest laten christenen Goede Vrijdag (de kruisiging en dood van Jezus) vooraf gaan.
Pasen in het christendom verwijst ook naar de vijftig dagen durende periode van het kerkelijke jaar vanaf het paasfeest tot Pinksteren, gedurende welke de christenen hun jaarlijkse paasplicht mogen vervullen. De periode van het paasfeest tot Hemelvaartsdag duurt veertig dagen.
De paastijd en de christelijke liturgie daaromheen heeft door de eeuwen heen vele componisten geïnspireerd tot muzikale composities. In de Barokperiode viel vooral het werk van Johan Sebastian Bach op met de Johannespassie, Mattheuspassie en zijn cantates. Voor de Eerste Paasdag bedacht Bach de cantate nr 4 Christ lag in Todesbanden. Voor de Tweede Paasdag schreef hij vervolgens de cantate nr 6 Bleib bei uns, denn es will Abend werden.